kagablog

July 16, 2009

Ochtend in San Nicolaas

Filed under: dick tuinder, literature — ABRAXAS @ 12:14 pm

Het is vijf uur in de ochtend als ik Vendy een lift geef naar de Village. Het is spitsuur in gebruikersland en we moeten onderweg een paar keer stoppen, waarbij ik bij de auto wacht terwijl Wendy een van de schaars verlichtte huizen induikt om iets te kopen en/of te verkopen. We praten eigenlijk nooit over werk en al helemaal niet over wat hij doet. Zijn zachte uitstraling vertelt dat hij er het beste van probeert te maken.

Rust en relatieve koelte hangt over de iets hoger gelegen volksbuurt, maar de rust is bedriegelijk. Zodra ik mij buiten de auto heb geplaatst en een sigaret opsteek komen uit het duister, als schuwe nachtdieren aangetrokken door het licht ende warmte van de auto, schimmen van mensen op mij af. De 55-jarige, als klein meisje verkleedde Mona Lisa heeft het duister en haar postuur aan haar zijde in de illusie van de jeugd, maar de kleine eeltige hand kan haar ware leeftijd niet verbergen.
“I’m Mona Lisa, do you wanna have a good ime?”
Nadat ik mezelf heb voorgesteld als Nat King Cole, geef ik haar een sigaret voordat ze er om heeft kunnen vragen en zeg nee, nee. All times are good, Mona Lisa. Ik zie geen enkele sexuele of antropologische noodzaak om de ongewijfeld hopeloze alledaagse ellende van de 55-jarige crackhoer van dichtbij te gaan bekijken.

Ze streelt de achterbak van de auto, duwt haar onderbuik tegen het grote rode achterlicht en kreunt: “I’m so hot,” waarna ze in lachen uitbarst en weer door het duister wordt opgezogen.

Ze wordt afgelost door een twee meter lange woest kijkende tripper. Hij beweegt als een dronken haantje. Overgeleverd aan spastische impulsen terwijl hij zich meester van de situatie acht. Een stevige duw tegen mijn schouder: “Gimmie a sigaret!”

‘Alsjeblieft’ is een beleefdheidsvorm die in de Mainstreet nog wel eens gehoord wordt, maar hier en op dit tijdstip heeft het geen enkele betekenis. Please has no meaning here. Wie je ook tegenover je hebt: je bent met die persoon alleen. De enige getuigen van wat er komen gaat zijn jij en hij. Niemand anders heeft hier ooit iets gezien.

Hij inhaleert de tabak, die toch een eenvoudige Camel-light is maar op de een of andere wijze een chemische reactie aangaat met de middelen die reeds in zijn bloed spoken, en begint een halve meter van mij vandaan te stuiteren, en wild met zijn armen zwaaiend in tongen te spreken terwijl zijn ogen mij als vanaf grote peilloze hoogte aankijken, op zoek naar een zwakke plek waar hij zou kunnen toeslaan. Zelf ook niet helemaal nuchter zie ik toch in dat dit een situatie is die, zonder duidelijke aanleiding zo maar eens uit de hand zou kunnen lopen. Hij schuift in zijn dansende waanzin nog eens tien centimeter dichter naar mij toe. Tussen de onverstaanbare krakende woorden ruik ik de zoete stookolie, die Vendy mij een uur geleden in de auto heeft laten zien, en die de favoriete drank van de junkies is.

Waar is Vendy overigens? Enkele minuten geleden is hij verdwenen in een huis, honderd meter hier vandaan, maar in geen enkele huis in de nabijheid zie ik licht branden.

De bewegingen van de man die voor mijn neus staat te dansen worden steeds woester. Ik moet iets doen. Hem wegduwen is zinloos en gevaarlijk. Hij is twee meter lang en ongetwijfeld veel beter geprogrammeerd in het ontvangen en uitdelen van klappen dan ik. Bovendien heeft hij weinig te verliezen en veel te winnen in zo’n strijd met mij. Ik leun tegen de auto en wend mijn gezicht van hem af, kijkend in de richting waar de zon moet opkomen. Er wandelt een halfkoele ochtendbries door de Village en ik draai mij weer naar de man toe en blaas hem zacht in zijn gezicht. Hij is te ver heen om zich tegen deze verrassende wending van zaken te keren. Zijn lichaam deinst achteruit, zijn maaiende armen proberen zich aan onzichtbare leuningen vast te houden, maar vergeefs. Een meter is hij nu al van mij vandaan terwijl ik nog eens diep ademhaal en een lange zachte bries in zijn richting blaas. Als een distelpluisje voortgedreven door een zomerwind zweeft hij weg, de duisternis is.

Enige tijd later zet ik Vendy af bij het huis van zijn moeder en rij terug naar mijn afspraak met Francy, die aan het begin van de avond beloofd heeft, na haar werk met mij mee te gaan.

Patrick heeft zich een uur eerder bij thuiskomst vergist en is in de logeerkamer in slaap gevallen waardoor ik zijn kamer, met uitzicht op de palmen en de grootindustrie kan lenen.

Bij ons vertrek zag ik in de kamer van Francy een kort wit doorschijnend nachtjurkje liggen. Ik stopte het in haar kleine reistasje. Ze vind me loco, maar blijkbaar wel op een leuke manier.

In de studio aangekomen gaat zij douchen en wacht ik op het balkon waar ik de hele diepte van de gang naar de douche kan overzien, en dus geen moment van haar entrée hoef te missen. Het is inmniddels half zes in de ochtend en boven de raffinaderij begint het te schemeren. Als een tropische Kim Novak komt Francy na enige minuten uit de douche. Het wit van de babydoll schittert in het halfduister, zoekend naar de juiste contrastverhoudingen. Verlegen, maar toch met koninklijke gratie komt ze met kleine afgemeten stapjes op me toelopen. Halverwege de gang trekt ze de babydoll iets omhoog.

Later die ochtend ontdek ik dat enkel de zachtste kus of aanraking haar naar een extase kan voeren. Ik leg mijn hand zo tussen haar iets samengevouwen benen dat het haar eigen hand wordt die zij zachtjes tegen zich aan duwt. Ze blijft, als bij alles wat ze doet, ook bij het bijna geluidloze orgasme dat volgt, uitermate voornaam. (Als een zich uit armoede prostituerende Russische gravin, in het Parijs van 1920 denk ik, omdat geen passender beeld mij te binnen schiet.)

Ze is de moeder van een zoon van 10. De vader woont ergens in Los Angeles. Dit zijn dat soort tijdens. “La vida es piccolo,” zegt ze en de volgende dag krijgt ze tranen in haar ogen als ze mij, bij het laatste afscheid wanhopig iets probeert duidelijk te maken. Ze kijkt naar het verhaspelde adres dat ik voor haar op een papiertje heb geschreven, wijst naar de niet bestaande straatnaam en het niet bestaande huisnummer en stelt keer op keer dezelfde vraag die ik godzijdank niet kan verstaan. Ze accepteert de 100 dollar die ik haar zomaar geef gelaten en zonder een blijk van dankbaarheid. Terecht, want ze weet waar dit geld over gaat.

Haar exclusieve gevoeligheid voor de zachtste aanraking, is haar harnas tegen de wanhoop, en het gezicht van haar tegenslag waardoor deze koninging moeder zich nog enkele maanden moet schikken in een ongetwijfeld functioneel maar kleinerend regime van bijna slapeloze dagen en nachten, non-stop, en geen geld, geen tijd en geen vergunning voor zoiets als een uitje naar het strand. In het kleine San Nicolaas is ze binnen twee straten van de bar waar ze werkt verdwaalt. Hoewel we de zaken natuurlijk ook niet moeten overdrijven. Ze had ook oud en lelijk kunnen zijn. En waar was ze dan geweest?
La vida es piccolo.

Ook in haar slaap is ze voornaam als een Numidische farao, met een gezicht dat uit de fijnste rivierklei lijkt te zijn geboetseerd. Zelfs haar zachte, uitsluitend uit beschaafde middentonen opgebouwde snurkgeluidjes voegen enkel meer majesteit aan deze moeder zonder kind toe. Terwijl ik naar haar kijk en haar haren streel vraag ik me af of ik goed of slecht ben. Het is onmogelijk dat ik verliefd ben, en toch voel ik liefde. Misschien wel echter dan al die keren toen ik dacht dat het echt was.

De volgende dag, wederom rond zes uur ‘s ochtends parkeer ik, vervuld van het definitieve afscheid van Francy de auto voor de studio. Claire zit op het balkon en kijkt verbaasd en als altijd enigzins op haar hoede naar de zonsondergang. Ze begroet me alsof ik deel van haar mijmering ben.
De jeugdige kunstenaars uit Oranjestad aan wie zij les heeft gegeven zijn de afgelopen nacht onder leiding van Patrick en Glenda uit geweest in San Nicolaas en hebben hun ogen uitgekeken. Ikzelf was in slaap gevallen en rond vier uur ‘s nachts weer wakker geworden van hun thuiskomst waarbij Glenda me meldde dat Francy naar mij had gevraagd waarop ik voor wisseling van de wacht had gezorgd, maar nu weer terug. Overal in het grote huis vind ik sporen van de feestelijke maaltijd die Claire en ik voor onze ondankbare gasten hadden gemaakt. Borden met hete viscurry. Plastic bekers. Peuken. Bierdoppen. De verweesde eettafel. De opgewarmde resten van de de maaltijd na terugkomst uit de stad.

In iedere ruimte liggen, zo lijkt het, mensen te slapen.Maar men slaapt licht temidden van het geraas van het ochtendverkeer. Ik ga op zoek naar whisky en zie in de logeerkamer Jess en Wilfred kuis op het bed liggen. Wilfred wordt wakkker van mijn blik en staat dromerig op. Hij zegt iets en ik antwoord iets. Dan wordt Jess wakker. Ze strekt haar armen naar mij uit en roept mijn naam. Ik negeer Wilfred en loop naar haar toe. Ik ga op het bed zitten en streel haar gezicht en voel hoe onder het mouwloze t-shirt haar tepeltjes hard zijn. We fluisteren zoenend. Onschuldig in onze daad door het onwerkelijke moment van de dag en de aanwezigheid van Wilfred en Claire die verbaasd en in stilte toekijken. Mijn hand rust op haar sleutelbeen en speelt met de warme holte van haar nek, terwijl haar hand door mijn haar streelt. Alles wat we zeggen is waar op dit moment, we delen de lucht tussen ons met wederzijdse gulheid.
“Waar was je nou, ik heb je gemist,” zegt ze.
“Ik was er altijd al. Waar was jij?”
En ik vertel haar over het afscheid van Francy en de tranen in haar ivoren ogen nadat ik me voor het laatst, enigzins liefdeloos en plichtmatig, met haar verenigd had.

“En toch kan ik enkel met deze vrouwen, en dan enkel met de moeders onder hen, een zogenaamd betekenisvolle relatie hebben. Zes vrouwen heb ik hier gekend. Alle zes hebben ze me de foto’s van hun kinderen laten zien. Alle zes heb ik meer geld gegeven dan strikt noodzakelijk was. Is het liefde? Is liefde niet altijd een zakelijke transactie, in diepste zin? Behalve natuurlijk de liefde die niet beantwoord wordt of niet beantwoord kan worden, zoals het belachelijke verzet van jou al die jaren tegen mijn meest oneerbare voorstellen.”

Zelf is ze op dat moment het slachtoffer van een ingewikkelde overzeese en voornamelijk met digitale middelen in stand gehouden lange-afstands relatie, dus ze weet er alles van. En het volgende moment zoenen we, en het heeft niets met de werkelijkheid te maken, maar op dit moment terwijl onze lippen met de vanzelfsprekendheid van een minimalistische blues (1 stem, 1 guitaar) van elkaar proeven, is het allemaal waar. Twee minuut dertig is de lengte van de song en dan zeilt de naald in een mist van statische ruis richting het label, en is het lied voorbij.

Jess stapt uit bed en als ik haar complimenteer over de geweldig leuke onderbroek die ze aanheeft (geen string goddank, maar een degelijke blauwe onderbroek met knoopsgrootte witte stippen en een adembenemend sluw kanten boardje bij de pijpen) is dat alleen maar lief en grappig van mij.

Wilfred, de al niet meer zo heel jonge jonge dichter heeft het tafereel met poetische verbijstering vanuit de deuropening gevolgd, en terwijl Jess in haar leuke onderbroekje naar de keuken sloft richt de oude levenskunstenaar zich tot de jonge dichter: “Look at Jess Wilfred, and look good and proper and note that you can always tell a lady from the underwear she wears. A girl might stun you with a sexy dress, nice shoes or an attitude, but this means nothing. It’s all part of their grand illusion. The bottomline of the difference between a lady and just another brainless fashionaddict is the way she dresses her essentials.”

Wilfred, slaapdronken en nog halfstoned knikt: “Gee Dick, thank you for this insight, I’ll try to remember it when I’m less wasted.”

San Nicolaas/Amsterdam 2007-2008

2 Responses to “Ochtend in San Nicolaas”

  1. hadassa Says:

    if you want to make love… call me

  2. chantal Says:

    ik blíjf blij met die kop koffie.

Leave a Reply