kagablog

March 15, 2010

Filed under: dick tuinder, blogging — ABRAXAS @ 7:45 pm

0130.jpg

March 14, 2010

the plot against america

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 1:09 am

0102.jpg

March 9, 2010

DE ONTZIELDE BEZIELING

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 9:56 pm

Over Doktor Fautus van Thomas Mann

Enige jaren geleden richtte de Paus van Rome zich tot de wereld met de voor het tijdgewricht opzienbarende vermaning dat de Duivel nog steeds onder ons is. Want juist wanneer wij het geloof in hem dreigen te verliezen moeten we op onze hoede zijn, aangezien die vermeende afwezigheid van het explicite kwaad zijn ware triomf is, en onomstootbaar bewijs van zijn bestaan, aldus de opvolger van Petrus. Van de wonderbaarlijke geldvermeerdering van speculanten tot de zwarte magie van Harry Potter en het moderne geloof dat de mens het alleen af kan in de wereld. Het is allemaal duivelswerk.
Wat lijkt op een ideologisch achterhoedegevecht is natuurlijk ook een poging om de advocaat van het goede te revitaliseren. Zonder het kwaad immers is er geen behoefte aan die eerste. De pogingen het kwaad te benoemen en een eigentijds gezicht te geven – goed gekapt, succesvol en in maatpak – zijn evenzeer een methode om het goede zichtbaar te maken. Maar deze eendimensionale compositietekening van de verdachte en het slachtoffer doen natuurlijk geen recht aan de veelkleurigheid van beide partijen, want de duivel is, sinds de zondeval, ook de gever van kennis die God, om naar het lijkt tactische redenen aan de mens onthoud.
Dat de zaak iets gecomliceerder ligt bewees Thomas Mann in zijn Doktor Fautus.

Het is geen boek om in een ruk uit te lezen. De bijna pathologische neiging tot exactheid en alomvattendheid van de schrijver die zich in schier eindeloos kristalliserende bijzinnen en tussenvoegingen manifesteerd, maakt het lezen tot een geconcentreerde bezigheid. Medelezers die ik sprak haalden een maximum van 10 pagina’s per dag.
In de roman, die de tragische levensloop van de componist Adrian Leverkühn tot onderwerp heeft, komen veel beschrijvingen van muziek voor. Dat is niet zomaar een vanzelfsprekende consequentie van het onderwerp, maar ook een duidelijk stijlkeuze. De impressionistische beschrijvingen van de muziek en de muziektheorie die zozeer vergroeid is met de Duitse geschiedenis, klinken door in de hierboven genoemde neiging tot detaillering die voor een belangrijk deel een puur muzikaal karakter hebben. Maar Doktor Faustus handelt niet alleen over muziek, het is ook opgezet als een wijdlopig muziekstuk dat zich in steeds andere variaties rondom hetzelfde Leitmotif, de ontzielde bezieling, beweegt.

In zijn uitvoerige gesprek met de Duivel denkt de componist de eerste te betrappen op een verspreking die impliceert dat hij niet niet reeel is, maar een illusie van zijn door de syphillus geinfecteerde brein. De Duivel reageert fel. “Ik ben niet het produkt van je piale haard daarboven, maar de haard stelt jou in staat, begrijp je?, mij waar te nemen. (…) Wacht één, tien, twaalf jaar, tot de illuminatie, het glasheldere verlies van alle slome scrupules en twijfels zijn climax bereikt. En je zult weten waarom je betaald, waarom je lijf en ziel aan ons vermaakt. Dan zullen sine pudore (zonder schaamte) osmotische gewassen aan het apotheekzaad ontspruiten…”

Met die laatste opmerking wordt verwezen naar het derde hoofdstuk van het verhaal waarin het Leitmotiv voor het eerst gepresenteerd wordt met een zinnebeeld dat in vele variaties zal worden herhaald.

In de nog niet door massamedia besmette lange avonden van hun jeugd laten Zeitblom, de verteller, en Leverkuhn de componist en hoofdpersoon van het verhaal, zich door Jonathan, de vader van de laatste, onderwijzen in de – de oude man tot tranen roerende – raadselen en schoonheid der natuur. Als amateur-allesweter verdwaalt Jonathan in zijn spirituele verbazing over het heliotropische gedrag van mineralen. Wanneer de deksel van het proefvat wordt verwijderd groeien de kristallen wezens hongerig naar het licht toe. De weemoedigheid van deze beweging versterkt door de wezenloosheid waarmee het zich voltrekt.
“En toch,” zicht vader Leverkuhn ontroerd, “zijn ze dood.”
Het is een beeld dat in al haar bescheidenheid niet veel goeds voorspeld. Het is het gedachteloze, instinctieve groeien van de materie die het kleine verhaal iets onwaarschijnlijk omheilspellends geven. Dit is niet een daad, dit is een natuurlijk proces dat – gegeven de juiste omstandigheden – een onstuitbare vanzelfsprekendheid zal worden.

Reeds rond de eeuwwisseling, toen het Duitse Keizerrijk nog op weg leek naar haar hoogtepunt, had Mann het voornemen zo’n soort boek te schrijven. Een boek waarin de Duitse culturele geschiedenis vanaf de reformatie, en het moment waarop de eerste Faustus wordt geschreven, zou worden ontleedt op haar morele principes. Het is ook het verhaal over een kunstenaar die de liefde opgeeft, in ruil voor magische krachten. Een boek, in feite, over zijn eigen leven en lijden. De koele strengheid die met het pact over de kunstenaar komt maakt hem, dankzij een duivelse paradox, in wezen een sentimenteel mens. Hoewel streng voor zichzelf en voor anderen, is de voornaamste drijfveer van die uiterlijke vormelijkheid een diep en met het stijgen der jaren steeds groter wordend zelfmedelijden. Zoals er ook achter de krachten die zijn Vaderland in haar greep zouden krijgen, in wezen de grenzenloze sentimentaliteit van osmotische processen schuil ging.
Men kan zich bij het lezen van deze magische roman niet onttrekken aan de gedachte dat de schrijver zijn leven lang in afwachting was van de groteske climax van gedurende 500 jaar langzaam aan de kook geraakt Burgerdom, uit de dampen waarvan een krijsend spook werd geboren zonder welks aanwezigheid –zowel in het boek als in het bewustzijn van de lezer – het Faustus thema puur literair was gebleven. De aanwezigheid van Adolf Hitler op de achtergrond van de vertelling maakt het duivelse element echter gruwlijk reëel.

Een van de meest aantrekkelijke waarden van kunst – naast troost en verstooiing – is dat zij door middel van de gekozen vorm een door de kunstenaar ervaren werkelijkheid vastlegd, en daarmee iets van een historische mentaliteit bewaard. Wie kijkt naar een schilderij van Breughel, kijkt door de ogen van Breughel die dit schilderij ooit als eersten zagen. Beter nog: die het al kijkend destijds lieten ontstaan. De virtuele aanwezigheid van die scheppende ogen is eeuwig met het werk verbonden.
Donkerglimmend aan weerszijden van een zelfbewuste neus, zweven ook de ogen van de kunstenaar Thomas Mann boven de eerder beschreven scene. De lezer ziet de tekst door de ogen van de schrijver en proeft de bittere triomf van die levensloze metafoor. De persoon van de schrijver en de periode die het verhaal beslaat maken dat het basale chemische proces naast het Faustthema – de ontzielde bezieling – ook de turbulente politieke- en sociale werkelijkheid van de eerste helft van de twintigste eeuw beschrijft. Het kristal op zwaar water symboliseerd niet alleen de alles overwoekerende dynamiek van de horde, maar ook het streven van de massa om, als niet denkend geheel, tezamen toch een genie kunnen zijn, precies zoals de zichzelf niet bewuste materie in het zware water zich aan de buitenwereld presenteerd als een sprookjesachtige plant. De basis van alle leven, zo lijkt de waarnemening te zeggen, is zielloos. Via psychologie, antropologie en fotografie ontdekt de moderne mens patronen in zijn wezen die feitelijk niet zoveel verschillen van de in laboratoria waargenomen chemische reacties en processen. De hevige politieke turbulentie en het radicale gedrag van georganiseerde groepen is ontegenzeggelijk op verregaande wijze beinvloed door dit radicaal nieuwe zelfbeeld.
Het proefvat in vader Leverkuhns laboratorium staat daarnaast uiteraard ook symbool voor het geinspireerde individu dat er naar streeft dingen te zien – als eerste – en dingen te horen die niemand ooit eerder heeft gehoord, en die een mens niet kan ondergaan zonder aan de trivialiteit van zijn eigen bestaan herinnerd te worden. Als een groeiproces dat wordt gedreven door drukverschillen – net als de kristal op sterk water – ontwikkelt de gedachte zich, bewegend naar het licht, tot een nieuw inzicht. De schier oneindige betekenisdiepte van het beeld van de krisallen onderstreept daarnaast ook nog eens de betrekkelijkheid van al dit nieuwe en ongehoorde. Je kijkt in gedachten naar de kristalen die voor het aandachtige publiek haar stille dans opvoeren en je weet dat je feitelijk kijkt naar het brein van Alles. Die niets anders is dan een spastische beweging naar buiten toe.
Als sluitstuk in deze keten van beelden is daar tenslotte de literatuur in algemene zin, en deze roman in het bijzonder die als een nabootsende, spastische entiteit wordt gepresenteerd die zich, als een vlinder die onwetend is van zijn eigen sluwheid, tooit met ogen van een giftig insect of de nerven van een oneetbaar blad.

Uit de scene spreekt een ambigue gevoel over de waarde van deze kennis. Enerzijds dwingt haar schoonheid en raadselachtigheid als vanzelf tot waarneming en bestudering. Op hetzelfde moment echter dat zij zich openbaard, ontneemt de kennis het zicht op zichzelf. De argwaan tegen kennis van dingen die je niet zou mogen weten wordt in het boek door verschillende figuren uitgesproken.
Zo is daar de ambtloze geleerde Chaim Breisacher die voor weinig minder respect heeft dan voor ‘de vooruitgang’. In zijn betoog voor een Münchens genootschap van geleerden, betreurt hij het verlies van het vermogen niet te willen weten. “Nauw verwant aan de wijsheid, of liever gezegd een bestanddeel ervan.” Vooruitgang, vind hij, is waanwijsheid.
Ook de verteller Zeitblom heeft zijn twijfels over de kennis omtrent zaken die misschien niet voor mensenogen bestemd zijn. Een scene die deze onkenbare werkelijkheid beschrijft en welks bestaan zich spiegelt in de mentale spanning van een nog onvoltooid meesterwerk, is die in welke Leverkühn zijn reizen met de Amerikaanse wetenschapper en ontdekkingsreiziger Professor Capercailzie beschrijft. Twee reizen die opvallende ruimtelijke exoten zijn in deze door interieurs gedomineerde vertelling. In een klein aantal pagina’s neemt Leverkühn zijn latere biograaf mee op een reis naar de bodem van de oceaan en het eind van het helaal, waarbij hij opzettelijk in het midden laat of hij het werkelijk heeft meegemaakt of dat het een avontuurlijke collage is van bestaande wetenschappelijke inzichten.
Maar zijn reisgenoot en gids Capercailzie, die natuurlijk niemand anders dan de duivel zelve is, maakt dat de lezer weet dat dit alles geen grap is, en dat Leverkühn de dingen die hij beschrijft werkelijk heeft gezien, hoewel de werkelijkheid in deze uiterst rekbaar is, en niet vanzelfsprekend van fysische aard is. Zijn biograaf, die immers in het bezit is van een woordelijk verslag van de ontmoetingen van Leverkühn met de Duiveld, door de eerste genoteerd, moet het ook hebben kunnen weten, maar hij verkiest om uit liefde voor zijn vriend discreet te twijfelen.
De beroerdste niet, en uiteraard in diepste wezen ook eenzaam, wijdt de Duivel Leverkuhn op zijn reizen in in de mysterieën van dat wat niet van hem is, maar waar hij wel bij voortduring naar lonkt. De twee werelden die hij zijn toekomstig eigendom toont zijn niet toevallig beiden theaters waarin het licht zijn sterfscene speelt en waar, in totale duisternis, nieuwe levensvormen ontstaan. Het begin van de wereld ligt op de bodem van de oceaan. Een ondanks al het aanwezige water dorre akker die de aanwezige bevolking van dieren nooit zou kunnen voeden indien er niet, alle seizoenen lang, eern zachte en constante regen van lijkjes op zou neerdalen. Wezens uit een andere wereld, moegestreden, halfverorberd of domweg uitgepoept zweven traag maar onverbiddelijk naar die eerste weide van waaruit zij opnieuw de tocht omhoog langs de voedselladder en opwaarts naar het licht zullen aanvangen. Samen met Caparecailzie daalt Leverkühn af naar de diepste dieptes en ziet wat niemand ooit voor hem heeft gezien. En donkere wereld vol lichtgevende wezens die bij aanraking met de duikboot spontaan exploderen. Allen zitten zij in hun waterlaag van aanvaardbare druk gevangen. Van het begin van de wereld gaat het naar het eind van het heelal dat er niet is omdat alles zich van elkaar af beweegt, vertelt Leverkühn die als vanuit een privéloge neerkijkt op het geheel dat er, zoals hij zegt, enigzins uitziet als een plat zakhorloge, maar dan natuurlijk van onmeetbare omvang. Hij vertelt over miljarden sterrenstels en de onbeduidende plek die ons melkwegstelsel in dat geheel inneemt.
Zeitblom, de biograaf, vraagt zich op bijna beledigde toon af wat hij met zulke inzichten en onbevattelijke getallen moet. “Welke eerbied en welke uit eerbiedvoortkomende civilisering van het gevoel kan nu worden afgedwongen door de voorstelling van zo’n onmetelijke flauwekul als het exploderende heelal?”
Deze vraag markeert het fundamentele verschil met de brave burger Zeitblom, die met bewondering en toenemende zorg de artistieke en emotionele ontwikkeling van zijn jeugdvriend volgt. Zich er toe voelt aangetrokken, maar ook weet dat dit een werkelijkheid waarvan hij altijd toeschouwer zal blijven, en die hij nooit werkelijk zal mogen ervaren, anders dan door de visionaire muziek van de componist die hij als persoon en kunstenaar lief heeft zonder dat die liefde ooit echt wordt beantwoord.
De onmogelijke liefde, die andere manifestatie van de ontzielde bezieling, is het tweede grote thema van de roman en eveneens een onmiskenbare echo uit het persoonlijk leven van de schrijver.

Uit alles in het boek spreekt dat Leverkühn reeds op jonge leeftijd weet dat hij gedoemd is. Zijn nimmer verdwijnende periodieke migraine aanvallen lijken het verzet van een soorteigen fysiek tegen een ongewone intelligentie en gevoeligheid. Zo kwetsbaar voor de chemie van de emotie dat hij het gevoel uitsluit en de ontroering bijna wetenschappelijk probeert de benaderen. Het individuele genie – dat in eerste instantie een genie van de perceptie is – vereist een zintuigelijke gevoeligheid die hem breekbaar maakt. Om deze zwakte te harnassen wordt de materie tenslotte zo rationeel mogelijk benaderd. Het contract dat Leverkuhn met de Duivel sluit verschaft hem derhalve geen bovenmenselijke vaardigheden, maar maakt het hem mogelijk om met zijn uitzonderlijke zintuigelijke gevoeligheid te kunnen waarnemen. Het verheft zijn kunst boven het beredeneerbare en laat hem iemand zijn die hij in wezen niet is. Als om die zelfvervreemding te beklemtonen is de kostprijs van deze duivelse applicatie het verbod op liefhebben. Zoals iedere kunstenaar in zekere zijn zijn vaardigheden tot liefhebben zal moeten limiteren om te kunnen scheppen. Leverkuhn zal zich tijdens zijn bestaan niet met een zielsverwant mogen verbinden. Wie hij liefheeft zal sterven.
De hierboven aangehaalde vermaningen van de kerkvorst gaan misschien op voor gewone stervelingen die vrijwillig dreigen te verdwalen in de ontzielde werkelijkheid van cyberspace op zoek naar betere werkelijkheden, maar de kern van het drama dat hier beschreven wordt is dat de kunstenaar Leverkühn zich niet uit hooggestemde verwachtingen, maar uit wanhoop in de armen van de Duivel werpt. De prijs die Leverkühn moet betalen voor zijn visionair kunstenaarschap is een even solitair leven dat bij de afwezigheid van liefde een proces van vergeestelijking in werking zet dat uiteindelijk in waanzin en fysieke aftakeling eindigt.

Alle facetten van zijn persoonlijkheid schreeuwen uit dat hij voor- danwel ontijdig geboren werd. Omdat hij zich tot de klassieken wil verhouden is hij een beredeneerde modernist, maar in de nerven van zijn gevoelsleven en in de gedroomde positionering van zijn kunstenaarschap – het eenzame genie hoog in de bergen wier composities een spiegel van de universele raadselen zijn – is hij een volbloed romanticus. Net als bij de wetenschappelijke data wordt ook de muziekgeschiedenis ten tijde van Leverkühns bestaan voor het eerst in de geschiedenis als loodzwaar en in essentie onbevattelijk ervaren; hoe daar duiding aan tegeven, wat er aan toe te voegen? De nervositeit die deze situatie opwekt is een open uitnodiging tot radicaal denken. Modernisme, vernietiging en een gedrogeerde waarneming waarin het ik opgaat en verdwijnt in een zichzelf omhelsende werkelijkheid.
Het intellectuele drama van Doktor Faustus behelst deze ontzielde bezieling, de intelectuele ontroering, die in zekere zin een modernistisch verschijnsel is. Het emotionele drama dat daarna parallel loopt, staat in het teken van de chemische ontroering, de liefde, en het zou geen drama zijn als het niet ging over de onmogelijkheid van die liefde. Een drama dat zich wederom spiegelt in het persoonlijke leven van de schrijver en zijn, door hem zelf vervloekte, liefde voor half volwassen jongens. Een verlangen dat zich in al haar onderdruktheid juist manifesteert in de huiskamer wanneer Mann verliefde gevoelens voor zijn dan 13 jarige zoon Klaus bij zichzelf bespeurd. Zijn verwarring en zelfhaat aangaande deze zaak vertaald zich in een steeds kritischer houding ten opzichte van zijn zoon, zeker als die wel zijn homosexualiteit openlijk beleid. Hoewel zijn romans gevuld worden door een overvloed aan personages, lijkt het er niet op dat Mann van mensen hield. Van echte mensen tenminste. De voortdurende onderdrukking van zijn eigen sexualiteit moet hem van die soort vervreemd hebben.

En zo worden de metaforen en personages een voor een ontmaskerd en wordt de schrijver van het boek zichtbaar. De gruwlijke dood aan het eind van het boek van Nepomuk of ‘Echo’, het aanbiddelijke neefje van de gedoemde componist, een onmiskenbaar portret van Mann’s eigen oogappel, zijn kleinzoon Frido, kind van zijn minst geliefde eigen zoon Michaal kan, binnen de magische en realiteiten vervlechtende vertelling niet anders gelezen worden als een een prive offer aan de gevallen engel. De tot in detail beschreven zinloos pijnlijke doodsstrijd van het kind staat als een litteken in het boek gekrast. Alle liefde moet dood om het werk te kunnen volbrengen. Alle slome scrupules en twijfels overboord gezet. Dat maakt dat de roman, die in eerste aanblik ontoegankelijk, theoretisch en abstact overkomt, tot een van de meest aangrijpende en emotionele werken uit de wereldliteratuur, zonder overigens gespeend te zijn van hoogmoed, sentimentaliteit en ijdelheid. Ook in deze gestileerde klaagzang en intellectuele biografie bewaakt de nobelprijswinnaar zijn eigen reputatie als groot kunstenaar, want de duivel, die het liefst op hoog niveau zijn gesprek met de mensheid aangaat, sluit natuurlijk bij voorkeur zijn verbond met een genie.

March 1, 2010

w139 - screening of dick tuinder’s “space” on tuesday 2 march

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 10:21 pm

010.jpg

half a brain and all man

Filed under: dick tuinder, lil princess — ABRAXAS @ 12:14 am

unknownwebb.jpg

“When will I be in your column?” the unresponsive lump asks . . . as if it is good to show up in here.

I try to explain that if I write about you it is a terrible thing, and I probably despise you. I don’t understand why all of them want to show up in here. To prove that they are “big men with big dicks who tore off a big piece.” If that’s what you want . . . well you got it. Congratulations.

All of what I write goes out to all of you. You sick, disgusting monsters. You who have been eaten up with insecurities and through obtaining and conquering have finally gotten what you want. What you really want is a piece of me. A piece of every person you see and intend to conquer.

I had an experience last week with a retarded man. And when I say retarded, I mean actually retarded in this case–as in, Down’s Syndrome, chromosomes-fucked-up retarded. His name is Butchie.

It is weird for me because I tend to identify much more with the retarded than with average individuals. Regular folks act like they are missing most of their brains, but they are not. Butchie actually does have a messed-up brain. He acts more like people would act if they weren’t forever trying to initially fool you into believing that they aren’t complete morons and pigs.

Rather than making small talk, Butchie just cuts right to the chase and I like that. He tells me, “I love you,” and then grabs at my tits and my ass. He did this upon meeting me and has never stopped. Cut right to it. Past all the small talk and “What do you do?” and all the bullshit that they think matters and straight to what they really want. To grope and grab like apes. The id acting out on the purest and deepest level. Like a little baby.

Like most men, Butchie is obsessed with screwing. He will, as Valerie Solanas put it, “swim through a river of snot, wade nostril-deep through a mile of vomit, if he thinks there’ll be a friendly pussy awaiting him.” But I find it so fascinating that this retard with half a brain is smarter than most of his male compatriots.

It is a shame though that so many women fall for the act that comes before the groping and grabbing and believe all the love talk. This retard only knows the words “I love you.” He does not say anything else.

The other night, at a friend’s house, I found Butchie awake in the middle of the night watching Bill and Ted’s Excellent Adventure on mute with a beer in his hand. His eyes were wide as he stared, motionless, in rapt attention at the screen.

I walked past him and immediately heard the words “I love you.” I politely smiled and said, “Thanks, Butchie,” and proceeded to the bathroom.

He started to say it again–” I love you”–the second time more forceful and dedicated. I gave him a pat on the head and replied, “You are sweet. Thank you.”

It seemed different this time, though. We were alone now, not around all of his friends and my friends. Just me and Butchie.

The third time he said, “I love you,” he grabbed me. First my boobs, then my ass.

I said, “Okay. Thanks, Butchie. Go back and watch the movie.” I am used to this behavior, so it does not faze me too much, but I am starting to get uneasy because we are alone and pussy can turn the most docile man into a megalomaniac war monger. He is also three times my size.

Then Butchie started whispering over and over that he loved me and he rubbed his hands all over me, all over very fast. He pushed me up against the wall and pinned my wrists back, rendering me helpless.

I have the strength of a small bird. Self-defense, short of firearms, has always been a moot point for me. I did have a Taser once, but it broke because my friends and I were using it too much on ourselves when we were drunk.

So Butchie pushed and pushed and repeated the words over and over that I have heard from so many other people that did have meaning at some time, but at this time every time they were repeated they became infinitely more dreadful, and everything seemed to be closing in.

“Stop, Butchie!” I seethed. “Stop it!” I tried to reason with him, but he is missing half his brain, and at that moment all he had was a boner that needed to be gotten rid of. Nothing else mattered.

This mongoloid, I could see, was projecting his whole miserable existence–the years of being mocked, his life of guilt, shame, passivity, his inability to relate to humanity–directly onto me. And he was setting out to prove that he is a man. A big man with a big dick tearing off a big piece. He needed to prove it all.

Butchie pushed me on the ground. This had happened to me before. All of this had. I remembered it. It all rushed back to me. It seemed that his entire speech had been reduced to these three horrible words that a girl never forgets.

“I love you.”

That phrase is so loaded, but with Butchie on top of me, it simply became horrible and terrifying and savage and all I wanted was for this moment to end.

As I was prone on the ground, I just closed my eyes. Everything had changed, again. And then the world stopped for a moment. Everything got quiet. The monster got up. And it was over.

Did Butchie want to show me affection?

Was this his way of doing it?

Was this his way of getting back at the world after years of torment?

Was this his attempt to make love?

Is this what he thought love was?

Was it enough for him?

Will it ever be enough?

Had it happened before?

Will it happen again?

Who should I tell?

Did it really happen?

Did it hurt?

Will it stop hurting?

Does he really love me?

Is he really retarded?

Why did it happen?

Should I have yelled?

Was he drunk?

Was I drunk?

Did I imagine it?

Did I like it?

Did it happen before with him?

Did it happen before with someone else?

Will it happen again? Did he like it?

Did he feel vindicated? Did he feel loved?

Am I telling the truth?

Did he get hard?

Did he ejaculate?

Did I get turned on?

Was it consensual?

Did I touch him back?

What happened?

How long did it last?

Should I tell anyone?

Is there any physical evidence of it like bruises or something?

Am I bleeding?

Is there mental evidence?

How many times has this happened?

How many times will it happen?

Will it ever stop?

February 17, 2010

WINTERLAND

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 3:28 pm

pastedgraphic.jpg

REGIE: DICK TUINDER

Met een inleiding van de regisseur.

Winterland is, na tientallen korte films, het speelfilmdebuut van Dick Tuinder.

In dit verhaal, dat ondanks ruimtereizen, vreemde planeten, een topcast, uitzinnige decors, muziek en animatie maar niet wil beginnen en dat aan het einde van de film feitelijk niet heeft plaatsgevonden, spelen stripfiguren naast echte acteurs die zichzelf moeten spelen maar hopeloos in de tekst en omgeving van de studio verdwalen.

pastedgraphic.jpg

Winterland, NL 2010

Regie & scenario: Dick Tuinder

Prod. Column Film & Silent Woods Industries

Met: Tara Elders, Kiriko Mechanicus, Tom Jansen, Marcel Faber, Lotte Proot, Ralph Wingens, Michiel Huisman, Gijs van de Westelaken, Femi Dawkins, Patrick Priest, Parker G. Tuinder en Dick Tuinder.

Muziek: Sonja van Hamel, Ookoi, Femi Dawkins, The Children.

pastedgraphic2.jpg

Persstemmen:

“Winterland is een fascinerend debuut, een fantasierijke combinatie van live action, animatie, film-in-een-film, een duizelingwekkende opeenhoping van meerdere lagen realiteit en fantasie. Beginnend met een Jules Verne-achtig verhaal over een stel excentrieke personages die een ruimtereis maken, zien we acteurs die verdwalen in een mysterieus bos, en beelden van de filmploeg tijdens de bewogen opnametijd.De première van Winterland op het festival zorgde voor enthousiasme en discussie. Want waar gaat deze film in hemelsnaam over? Een film over een film in een film, een prikkelend spel tussen realiteit en fantasie.” Ulrik van Tongeren (ravagedigitaal.org)

“In de wereld van Dick Tuinder is het echte fictief en het fictieve echt. En zodra je ergens je vinger op legt, verschuift alles. Hij trekt een betoverend, surrealistisch landschap op uit zelfgemaakte decorstukken, maar als het zo uitkomt, toont hij net zo lief de bordkartonnen achterkant.” Bor Beekman (De Volkskrant)

Trailer:

http://www.youtube.com/watch?v=HgVC5vqItJE

Op de set bij Winterland:

http://www.cinema.nl/media/4082742

www.dicktuinder.com

Aanvang: 20 uur

Toegang €3,-

Weteringschans 173 Amsterdam 020-3208412

February 9, 2010

happy birthday j.m.

Filed under: dick tuinder, literature — ABRAXAS @ 2:33 am

coetzee-op-maatkl.jpg

January 29, 2010

GEBOORTE

Filed under: dick tuinder, literature — ABRAXAS @ 12:55 pm

Moeder ving de sneetjes op die uit de broodrooster sprongen en smeerde er een voor vader en een voor haarzelf met appelstroop. En wel op zo’n manier dat vader, terwijl hij met verbazing kennis nam van de inhoud van de brief die zojuist bezorgd was, onwillekeurig moest denken aan een langvergeten droom om percussionist te worden in een Salsaband.

Aan het eind van de brief gekomen draaide hij het papier om en staarde voor een moment streng richting de eindeloosheid van de blanco achterzijde. Alsof die onbeschreven zijde medeplichtig was aan de verbijsterende tekst die hij zojuist gelezen had.
Hij liet zijn oog nog eens vluchtig over de tekst glijden en mompelde: “Zo, zo.”
Moeder had inmiddels vaders geroosterde boterham in vieren gesneden en zette het bordje voor hem neer. Ze keek oplettend naar zijn gezicht.
“En? Wat is het voor brief?”
Vader leek uit diepe gedachten wakker te schrikken: “Hm?… zeg je? Oh.. van de Gemeente.”
“Van de Gemeente? Waarom zouden die ons een brief sturen? Wat staat er in?”
Vader vouwde de brief op en stopte hem weer terug in de enveloppe.
“We moeten ons huis uit. De subsidie wordt gestopt.”
Moeders mes zweefde een seconde of twee in dromerig vacuum, waarna hij zacht werd neergelegd op de rand van het bord. Fijne appelstroop¬vlekjes aan de punt van het mes glansden zacht in het warme ochtendlicht.
“Werden wij gesubsidieerd dan?” vroeg moeder verbaasd.
“Blijkbaar.”

Een onwerkelijke stilte nam bezit van de propere en zonovergoten eetkamer in het huis aan de Beukenlaan nummer 42. En zoals altijd in dit soort situaties zag de wandklok zijn kans schoon om de seconden er eens extra hard uit te rammen: TIK!TAK!!! TIK! TAK!! TIK!!!
“En wat nu?” vroeg moeder. “Wat gaat er met ons gebeuren? Waar moeten we naartoe?”
“Dat staat er niet bij.”
Moeder keek haar man strak aan. “Laat zien,” zei ze en wees naar de brief.
Vader pakte de enveloppe en stopte die in zijn binnenzak.
“Em,” zei hij zacht, “deze brief hebben wij nooit ontvangen.”
“Mag dat?”
“Hoe kan men je verbieden iets niet te ontvangen?”
Moeder schudde haar hoofd.
“Maar wat een rare brief!” zei ze. “En per wanneer zou het eigenlijk in moeten gaan?”
“Nou ja, zo’n beetje nu, geloof ik,” zei Vader.

Hoewel hij een paar kilometer verderop werkte was het die ochtend alsof ze hem uitzwaaide voor een veel langere reis. Naar een andere wereld misschien wel. Voor het eerst sinds jaren liep ze met Vader mee tot aan het hek. Draaide zijn sjawl nog even goed. Keek hem ernstig en onderzoekend aan. Toen ze zei: “Wees voorzichtig,” was het de stem van de moeder die sprak met de mond van de vrouw Ze keek hem na terwijl hij krachtig en bijna jongensachtig enthousisast, met kleine rukjes aan het stuur, wegfietste. Bel me als er iets is, dacht ze. Toen ze terug door de tuin liep en links en rechts de straat inkeek leek het wel zondag. Liep de klok misschien een uur voor?
Binnengekomen belde ze de tijd, maar die kwam nagenoeg overeen met wat de klok in de keuken aangaf. .

Het bleef de hele dag stil en heiig. De wereld was ondiep in een grijs egaal licht. “Wanneer het mistig is zoals vandaag, gaan de minuten op elkaar lijken en klontert de tijd samen tot een zachte stuiterbal,” dacht ze. Vroeger dan normaal kreeg ze trek. Haar lichaam hunkerde er naar om inwendig omhelst te worden door de alcohol. Ze kon heel mooi drinken. Ze werd nooit straalbezopen, maar bleef, hoeveel ze ook dronk altijd een beetje tipsy. Verbaasd over zichzelf en aanverwante zaken.

Nog voor het echt begon te schemeren stond ze in de keuken. Gedienstig aan de wens een prachtige Béchamelsaus te maken. Een twee-literpan vol. Ze smolt de boter en plaatste met een eetlepel een miniatuurgebergte van bloem in die sissende oceaan. Met vlugge gymnastische bewegingen duwde ze de boter door de bloem en liet de pan boven het vuur zweven terwijl ze het tot een pasta kneedde. Ze voegde de melk, boullion en peper toe en klopte de eerst onwillige brokstukken van het pasta-continent tot een dromerige, zelfvoldane saus.
Tenslotte klopte ze er een eigeel doorheen en doopte toen haar vinger in de warme oppervlak dat prachtig zacht glansde als de huid van een vormeloos wezen. Ze wist niet van een andere chemische reactie die de schoonheid van een perfect gemaakte Béchamelsaus kon overtreffen. De volmaakte eenvoud van het gerecht. De gulzigheid waarmee de verschillende ingredienten zich in elkaars armen storten en versmelten tot een nieuwe entiteit. En die versmelting dat is liefde, dacht moeder. Maar de schoonheid van een Béchamelsaus in rust is kortstondig. Afhankelijk van de buitentemperatuur is zij slechts enkele seconden op haar mooist. Wanneer de saus voorbij een kritisch punt is afgekoeld verliest ze haar glans, en trekt er een doffe zween van waterchocola over het oppervlak.
Voor het zover kon komen stak moeder de vinger in haar mond en liet die langs haar gesloten lippen weer naar buiten glijden.

Toen hij om zes uur nog niet thuis was belde ze zijn werk.
“Raar,” dacht ze, “dat het me eigenlijk niet verbaasd dat het nummer afgesloten blijkt te zijn.”
Een aluminium schaal die enkele weken geleden schijnbaar onder een kritische hoek tegen de wand van de kast was geplaats schoof, zonder dat daar enige aanleiding toe leek, plotseling met veel kabaal onderuit. Misschien was-ie ziek van wekenlang op de rand van het toelaatbare te balanceren.
“En toch is het vreemd dat het net nu moet gebeuren. Op deze dag, bedoeld ik,” dacht moeder. .

Ze trok een knisperende regenjas aan en liep naar buiten de straat in. Het was inmiddels al bijna donker, maar in geen van de andere huizen brandde licht. Ze keek bij de buren aan weerszijden naar binnen. Het was niet duidelijk te zien in welke staat de interieurs waren, maar alles leek intact.

Ze wist dat hij nooit meer terug zou komen, en hoe ze ook zocht op de kanalen: alle televisiezenders bleven dezelfde ruis uitzenden.

Soms kan het, wanneer het mistig is, kort voordat het donker wordt heel even weer iets lichter worden. Of het nu een laatst stuiptrekking van de dag of een overspannen correctie van de ogen is; het gebeurd. En die middag ook weer. Alleen zette het deze keer door. Terwijl het nu toch al ruim zeven uur was en normaal rond deze tijd van het jaar echt donker, werd het lichter.
Maar het was niet het licht van een zon die opkwam, maar een uitbleking van het zwart. Kleur en contrast verdwenen uit het beeld dat zij waarnam van de wereld. Alles verdronk langzaam in een witte waas.

Ze ademde tegen het raam en schreef, zonder speciale bijgedachte, de letter o in de condens. Kort daarop begon de letter te druipen, en wanneer de condens verdampte zou hij nog als vetspoor enigzins zichtbaar zijn.

Plotseling openbaarde zich in haar een duizelingwekkend inzicht. Haar gedachten schoten langs planeten en reisden de langste reis voorstelbaar – van de oerknal naar haar eigen primal-scream – in minder dan een zucht. Ze doorzag de monumentale onbevattelijkheid van het heelal. De uitbundige maskerade van het Niets door ontelbare bezielde atomen. Alles leeft, dacht ze. En alles is op de een of andere manier hetzelfde, alleen op een andere schaal. Wat was de oerknal anders dan een geboorte-schreeuw? Het heelal werd geboren uit de kut van God, dacht ze. Maar waar was de vader? Haar gedachten schoten terug naar veertig jaar geleden toen niet Vader, maar een tien jaar oudere jongen haar op veertien-jarige leeftijd had ontmaagd. Heel even zag ze hem haarscherp in de verte zijn linker mondhoek optrekken en met tegenzin lachen.
Ze keek uit het raam en het viel haar op dat zelfs de horizon nu aan het vervagen was. Zodat ook het laatste landschappelijke element van het uitzicht langzaam opging in een zacht glinsterende mist.
De wereld is feitelijk niet te begrijpen, dacht ze.
We kunnen haar enkel ondergaan.
“Kijk,” dacht ze, “een regendruppel.”

January 20, 2010

10 may 1933

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 8:38 am

0109.jpg

January 7, 2010

on decision making…

Filed under: dick tuinder, philosophy, politics — ABRAXAS @ 2:26 pm

“If an important decision is to be made, they (The persians) discuss the question when they are drunk, and the following day the master of the house where the discussion was held submits their decision for reconsideration when they are sober. If they still approve it, it is adopted; if not it is abandoned. Conversely, any decision they make when they are sober, is reconsidered afterwards when they are drunk.”

Herodotus, The Histories page 97, Penguin Classics.

January 2, 2010

dick tuinder, schiphol airport, 14 april 2009

Filed under: dick tuinder, kagaportraits — ABRAXAS @ 11:33 am

032.jpg

January 1, 2010

dick tuinder & aryan kaganof, lund, 29/06/2008

Filed under: dick tuinder, just good friends — ABRAXAS @ 9:57 am

018.jpg

December 28, 2009

happy birthday dick!

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 1:00 am

0267.jpg
0268.jpg
0269.jpg

December 19, 2009

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 10:17 am

0214.jpg

ass

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 12:03 am

0211.jpg

December 18, 2009

movie of the year

Filed under: dick tuinder, kaganof short films — ABRAXAS @ 10:12 am

0191.jpg
0192.jpg
0193.jpg
first published on badlit.com

December 12, 2009

Civilization And Other Chimeras Observed During The Making Of An Exceptionally Artistic Feature Film

Filed under: dick tuinder, dionysos andronis, kaganof short films — ABRAXAS @ 2:25 pm

0179.jpg

This feature-length documentary by Aryan Kaganof was filmed in 2008 with sets from the film “WInterland”, although the editing was only completed this year. Yet another masterpiece from Kaganof, although here the film writing is more conventional than in the author’s earlier films. Kaganof is a fan of the Dutch director Dick Tuinder, and together they devised this fiction documentary as a “making of” Tuinder’s first feature film. We met them both in Amsterdam in August 2008. They were stopping over in the capital as “Winterland” was filmed in the Dutch countryside. Tuinder and his famous producer Gijs Van Der Westelaken * had just been to the Dutch premiere of “SMS Sugar Man” in the beautiful iLLUSEUM gallery on the 9th August 2008.

The film starts with a quotation from Jean Baudrillard from his book “Fragments”, translated into English. The quotation appears as a work of art rewritten by Kaganof on the film’s interior sets. It begins “There are two-way mirrors which allow you innocently to spy on people”. This sums up the philosophy of the shoot. Tuinder’s entire film seems to be a play of illusions on deceptive appearances and their “innocent” cinematic reproductions. It is also the subject of Tuinder’s earlier short film, “Most Things Never Happen” which we watched at the South African “National Arts Festival” in August 2005 during the “Dionysiac film” retrospective.

The spectators are first manipulated with the appearance of the main character, the young Kiriko Mechanicus, who in reality is an alter ego of Sally de Winter, Tuinder’s favourite teenage actress. Here the young Kiriko becomes the incarnation of Sally, offering us a secondary path of reflection about appearances. She caresses a giant eye hanging from the set which is used as a superior surveillance or observation eye.

Dick Tuinder buys a book with the single word “Civilization” (in English) as its title, and he moves around among the sets, going from one actor to another. “We’re going to find the solution to the editing”, the insert titles tell us in Dutch in the middle of the film. He then wanders through the forest in the night, thinking about how he will stage his film. This is parallel action which helps us change location and appearances so as not to betray the “realism” of the cinematic device. Even the costume maker is not spared the principle of filmed interviews. The great actor Thom Jansen returns throughout the film to comment on the positive developments.

And at the end of the documentary, Kaganof asks the director an important question - a question which sums up this game of appearances, “Do you enjoy playing the role of Dick Tuinder?”

This is a simple masterpiece which does not provide answers to the problematics of the original film, but which takes us on a beautiful stroll through an artistic landscape of escapism.

Written by Dionysos Andronis, translated by Lucy Lyall Grant

*Westelaken produced Theo Van Gogh’s last, controversial films and gave several interviews on international TV after Van Gogh was murdered in 2004.

December 8, 2009

digital piracy

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 2:42 pm

0115.jpg

December 1, 2009

the backstage of reality

Filed under: kaganof, dick tuinder — ABRAXAS @ 12:47 am

03.jpg

November 26, 2009

real abstractism

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 5:18 pm

watch it here

November 8, 2009

miou-miou

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 6:53 pm


October 12, 2009

Een kalf van klatergoud

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 12:08 pm

gouden_kalf_016_268730d.jpg

Voor de Utrechtse Schouwburg stond, toen iedereen allang was vertrokken, nog het meer dan kalfsgrote afgietsel van het Gouden Kalf – als klatergouden herinnering aan een overschat festival, dat uitmondde in de toekenning van de prijs van beste acteur aan een zestienjarige jongen. Dit is een met enig chagrijn opgetikte zin van een bezoeker die zich over dat festival geen oordeel kan aanmatigen omdat hij veel te weinig films zag. Eigenlijk zag hij er maar één. Maar zou het kunnen zijn dat die ene exemplarisch was voor een grote malaise?

Ik keek, op een donderdagavond, in een slechts voor een kwart gevulde zaal, naar de festivalvertoning van ’Winterland’, een film van beeldend kunstenaar Dick Tuinder, die in de pers een aantal zeer welwillende voorbeschouwingen had gekregen. Daarin was sprake van ’een pratend en bewegend schilderij van anderhalf uur’. ’In de wereld van Dick Tuinder is het echte fictief en het fictieve echt. En zodra je ergens je vinger op legt verschuift alles’. (De Volkskrant). Het is ’een sprookjesachtige roadmovie’ (NRC). De regisseur noemt zijn film in deze krant ’een reis door verschillende virtuele, echte en fantasiewerelden en langs alle mogelijke manieren om daar verhalen over te vertellen’ en ’het zijn werkelijkheden die maar een paar seconden naast elkaar liggen’. ’Het wordt een mix van live action, animatie, film-in-een-film en film-over-film’.

Het is ’diep en licht tegelijkertijd’ en hij kreeg er, vernamen we, maar een bescheiden 300.000 euro voor – deels van het Filmfonds en deels van de Mondriaanstichting. En er komen pratende stenen in voor, want de regisseur vind het ’verfrissend om al die filosofische vragen waarmee ik mijn personages opzadel eens vanuit het perspectief van die stenen te bekijken’.

De film is volgens hoofdrolspeelster Tara Elders een wandeling door het hoofd van Dick Tuinder, maar volgens NRC is hij juist een eerbetoon aan Tara Elders.

Zulke dingen werden er over de film gezegd. Gebazel? Ja.

De film was een draak uit het genre dat traagheid en een spaarzaam woordgebruik gelijkstelt aan diepgang. Alle zeggingskracht moet uit het beeld komen of uit een quasi diepzinnige oneliner, in een verhaal zonder lijn of plot. Er zijn er die dit een arthouse film zouden noemen. Er komt geen hond naar kijken.

Daartegenover staat de publieksfilm, zoals ’De Storm’, daar leveren we in dit land jaar na jaar middelmatige proeven van af. Ziedaar de malaise, onze keuze uit de Nederlandse cinema – jaarlijks gevierd met een groots incestueus festival en een regen aan prijzen, waarmee iedereen iedereen feliciteert.

Kan ik dat allemaal afleiden uit die ene film? Misschien, want alles kwam erin samen: de industrie, de sponsors, de steracteurs (naast Elders ook haar man Michiel Huisman), het festival dat hem opnam, de filmkritiek (die overigens zweeg na de première), zelfs het schaarse publiek, dat hem bekeek – de keizer in zijn nieuwe kleren.

wim boevink

6 oktober 2009

this opinion first published in trouw.nl

October 10, 2009

artisticiteit blijft bovendrijven op nff

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 7:46 pm

winterland.jpg

De première van Winterland op het Nederlands Filmfestival zorgde voor enthousiasme en discussie, evenals Nothing Personal van de Pools-Nederlandse regisseuse Urszula Antoniak.

De voorpagina van de NFF-dagkrant bevatte dagelijks een grote foto van een moment op de rode loper, waarmee ons mini-Hollywood, onze sterren en bekende Nederlanders in het zonnetje werden gezet. Ergens op het Nederlands Filmfestival (NFF) speelde zich kennelijk een andere realiteit vol glitter en glamour af, waar het publiek geen deelgenot van was.

Na de verdeling van een karrenvracht Gouden Kalveren op het NFF stapt de filmwereld van de roze wolk weer in de dagelijkse realiteit. Met 151.000 bezoekers werd een record geboekt, gevoegd bij de 1.9 miljoen bezoekers van de website van het NFF en het online filmfestival, zijn dat indrukwekkende cijfers.

Dat betekent nog niet dat het goed gaat met de Nederlandse film. Het succes en de immense media-aandacht voor het NFF geven een vertekend beeld van de realiteit. Ondanks het grote aanbod in de diverse genres worden er veel zwakke films gemaakt en is de kwaliteit over de hele linie matig.

De producenten van De Storm, het epos over de watersnoodramp in Zeeland in 1953, zullen zeer tevreden zijn met de maar liefst 135.000 bezoekers die de film al in de eerste week trok. Ondanks de enorme impact van het historische onderwerp is het een magere en teleurstellende film geworden over een jonge, ongehuwde vrouw die haar baby kwijtraakt. Een gemiste kans.

De interessante films komen toch uit de artistieke hoek. Eigenzinnige filmmakers als Alex van Warmerdam (De laatste dagen van Emma Blank), Esther Rots (Kan door huid heen), Urszula Antoniak (Nothing Personal) en Dick Tuinder (Winterland) hebben zeer bijzondere films gemaakt. Van Warmerdam kennen we al als uniek talent en buitenbeentje van de Nederlandse cinema. Dick Tuinder en Urszula Antoniak maakten veel indruk met hun debuutfilms.

Winterland is een fascinerend debuut, een fantasierijke combinatie van live action, animatie, film-in-een-film, een duizelingwekkende opeenhoping van meerdere lagen realiteit en fantasie. Beginnend met een Jules Verne-achtig verhaal over een stel excentrieke personages die een ruimtereis maken, zien we acteurs die verdwalen in een mysterieus bos, en beelden van de filmploeg tijdens de bewogen opnametijd.

De première van Winterland op het festival zorgde voor enthousiasme en discussie. Want waar gaat deze film in hemelsnaam over? Een film over een film in een film, een prikkelend spel tussen realiteit en fantasie. Of Winterland daadwerkelijk publiek gaat trekken, is de grote vraag. Soms trekken dit soort artistieke producties 2.000 tot 3.000 bezoekers, dat is echt veel te weinig.

Daar gingen nogal wat debatten over onder de professionals: hoe kunnen we de artistieke film beter verkopen? En wanneer kunnen we als Nederlandse cinema weer eens een rol spelen op de grote buitenlandse filmfestivals? Daarvoor werd het label Dutch Angle in het leven geroepen, om veelbelovende jonge regisseurs en hun werk te promoten.

Het woord urgentie viel wel vaker. Nederlandse speelfilms missen urgentie, we zijn te gezapig. Werkelijk bevredigende oplossingen hoe de betere film verkocht kan worden, kwamen tijdens de debatten ook niet boven water. Ieder jaar valt er wel een dergelijk verhaal te noteren, hetgeen een moedeloos gevoel oplevert.

Filmmakers die werkelijk gedreven zijn, doen hun ding wel en zeuren niet over filmfondsen en omroepen die hun plannen zouden dwarsbomen. Zo had beeldend kunstenaar Dick Tuinder een plan voor een speelfilm waar hij jaren aan heeft gewerkt. Het resultaat is er wel naar.

Het slotakkoord van het NFF was verrassend en hoopvol. Nothing Personal van de Pools-Nederlandse regisseuse Urszula Antoniak won vier Gouden Kalveren, waaronder die voor beste regie en beste lange speelfilm. Dat is opmerkelijk voor een kleine persoonlijk getinte film.

Nothing Personal is een fraaie debuutfilm gedraaid in een wonderschoon Ierland, en handelt over een merkwaardige liefdesrelatie tussen een jonge Nederlandse vrouw en een oudere Ier. Deze film won een maand geleden trouwens al een pak prijzen op het filmfestival van Locarno.

Hoofdrolspeelster Lotte Verbeek won helaas geen Gouden Kalf voor haar aangrijpende vertolking. Die prijs ging naar Rifka Lodeizen voor haar evenzeer indrukwekkende hoofdrol in Kan door huid heen. Het is een bloody shame dat deze prachtige film pas op 17 december in première gaat. Dat heeft te maken met het doekentekort van de Nederlandse filmtheaters.

Ulrik van Tongeren

this review first appeared here http://www.ravagedigitaal.org/index.htm?2009/film39/filmblik.php~mainFrame

sigrid punter (oor) reviews winterland live

Filed under: dick tuinder, reviews, music — ABRAXAS @ 4:12 pm

0211.jpg
0212.jpg

this review first appeared in oor.nl

October 8, 2009

winterland live

Filed under: dick tuinder — ABRAXAS @ 12:31 am

0122.jpg
0123.jpg

Next Page »